Actueel

Standpunt eindtermen

De herziening van de eindtermen in het onderwijs zorgt tot in de media voor beroering. Wij willen met deze berichtgeving duidelijk maken waarom de steinerscholen menen dat de vrijheid van onderwijs in het actuele eindtermendebat onder druk komt te staan. 

Als steinerscholen verzetten we ons niet principieel tegen eindtermen, noch tegen minimale doelstellingen die de criteria verwoorden waaraan onderwijskwalificaties moeten voldoen. De overheid heeft immers de democratische opdracht om het recht op onderwijs ook inhoudelijke krijtlijnen mee te geven.

Er zijn echter belangrijke grenzen aan deze democratische opdracht. Het Arbitragehof heeft zich al in 1996 in die zin uitgesproken. Het baseerde zich met name op de vrijheid van onderwijs, zoals die in de grondwet is ingeschreven, om te benadrukken dat schoolbesturen hun onderwijs vrij moeten kunnen inrichten, zowel naar vorm als naar inhoud. Dit principe fundeert nog steeds het standpunt van de steinerscholen.

Met andere woorden: veel hangt af van de wijze waarop eindtermen benoemd, gedefinieerd en geformuleerd worden.

Hoe kan men de pedagogische vrijheidsruimte respecteren bij de formulering van eindtermen?

 

  1. De eindtermen zouden duidelijk en neutraal moeten zijn. Onderwijskundige of pedagogische overwegingen, voorkeuren en keuzes zijn hier niet op hun plaats. Bij de ontwikkeling van sommige eindtermen wordt vaak een selectie uit vele mogelijkheden gemaakt die dezelfde doelstellingen realiseren. En die relatieve keuze wordt dan opgelegd alsof er maar één degelijke visie op de vakken/leergebieden zou zijn. Dit probleem komt het scherpst naar voor bij het formuleren van de onderwijsdoelen over de ‘zachte’ vakken.
  2. Het eindtermendebat kan niet worden herleid tot een arbitrair debat over het wat en het hoe. Er is steeds een complexe verwevenheid tussen wat men aanleert en hoe men het doet. De inhoud is dus ook een fundamenteel element van de grondwettelijke onderwijsvrijheid en kan nooit volledig door de overheid worden ingevuld. Er zijn namelijk meerdere goede manieren om vakken uit de basisvorming en essentiële competenties als muzische vorming, burgerschapsvorming, creativiteit, enzovoort, op een kwaliteitsvolle wijze in te vullen. En de pedagogische visie op wat een kind of jongere op welke leeftijd nodig heeft om te ontwikkelen is evenzeer bepalend voor de keuze van de ontwikkelingsstof.
  3. Tot slot zouden de eindtermen niet te gedetailleerd en te concreet geformuleerd mogen worden. Ook Katholiek Onderwijs Vlaanderen wijst nu op dit gevaar, en verwijst daarvoor naar het besluit van het Arbitragehof van 1996. Een formulering van eindtermen is sowieso altijd arbitrair, vanuit een bepaalde visie. Er zijn steeds valabele alternatieven mogelijk. En naarmate eindtermen meer willen vastleggen, zelfs volledigheid willen nastreven en gedetailleerder worden, nemen het aantal keuzes voor meerdere formuleringen toe.

 

Dit alles heeft tot gevolg dat de overheid moet streven naar een consensus tussen de onderwijsverstrekkers over wat de minimale onderwijsdoelen zijn. Voor de mogelijke situaties waarin dit niet lukt moet de overheid procedures voorzien om de vrijheid van onderwijs te beschermen. Onderwijsverstrekkers moeten om gefundeerde redenen beroep kunnen doen op een afwijkingsprocedure waarin een gelijkwaardig coherent geheel van eindtermen als alternatief kan worden voorgesteld.

Als steinerscholen zijn we steeds uitgegaan van een eigen pedagogisch concept, waarbinnen valabele onderwijsdoelen in zo’n samenhangend coherent geheel geformuleerd werden. Dit totaalpakket blijkt vaak onverzoenbaar met de eindtermen en ontwikkelingsdoelen die ontwikkeld werden. We benadrukken: de onverzoenbaarheid heeft dan betrekking op het geheel, en niet op enkele individuele eindtermen die een ‘gevoelige’ inhoud zouden hebben. Deze globale onverzoenbaarheid lag aan de basis van onze juridische stappen in de jaren negentig en onze aanvragen tot afwijking sindsdien.

Het concept van de steinerpedagogie heeft enkele bijzondere kenmerken (zoals een genuanceerde ontwikkelingsgerichte visie, de leeftijdsgerichtheid van de keuze van de vakinhouden, de kunstzinnige aanpak van het onderwijs, de fenomenologische benadering van de werkelijkheid en aandacht voor de spirituele dimensie in de ontwikkeling van de mens). Een essentieel element van ons pedagogisch vormingsconcept bestaat uit een visie op de inhoud van de lessen. Daarom komt het spanningsveld tussen eindtermen en vrijheid van onderwijs bij ons zo fundamenteel aan het licht. De toegestane afwijkingen op de actuele eindtermen hebben de steinerscholen de mogelijkheid gegeven ons concept in de pedagogische praktijk om te zetten. Het Vlaams Parlement heeft de eindtermen van de steinerscholen gelijkwaardig verklaard. M.a.w. onze eindtermen garanderen ook de minimale kwaliteit en bereiden ook voldoende voor op maatschappelijke participatie enzovoort. Waarom is er dan nu commotie omtrent onze eindtermen? Waarom staat de afwijkingsprocedure ter discussie?

Vanuit het Overleg van de Kleine Onderwijsverstrekkers hebben we ons, als Federatie Steinerscholen, altijd constructief opgesteld en we zullen dat ook blijven doen.

In deze zin hopen we dat we betrokken zullen worden in de gesprekken en dat het recht op verscheidenheid in het onderwijs gegarandeerd zal blijven. We rekenen op een inclusieve onderwijsregelgeving die dit effectief mogelijk maakt.

De raad van bestuur van de Federatie Steinerscholen